.nl.

Verandert er iets in het gezag na een scheiding?
Een scheiding heeft op zichzelf geen juridische gevolgen voor de relatie met kinderen. Als de ouders samen het gezag uitoefenen, dan blijft de situatie na de scheiding ongewijzigd. Ouders kunnen de rechter verzoeken één van hen met het gezag te belasten. Als de rechter het verzoek toewijst, dan blijven beide ouders onderhoudsplichtig totdat het kind 21 jaar is. Ook als er sprake is van gezamenlijk gezag van een ouder en een niet-ouder, dan loopt het gezag na hun scheiding door. De rechter kan op verzoek het gezamenlijk gezag beëindigen.
Wat is het vershil tussen gezamelijk gezag en co-ouderschap
Bij scheiding behouden beide ouders het gezamenlijk gezag; zij blijven ieder de volledige verantwoordelijk dragen over hun kinderen. Dus in alle belangrijke beslissingen die hun kinderen aangaan, dienen zij gezamenlijk te beslissen. (wat in de praktijk overigens niet altijd even soepel verloopt of zelfs onmogelijk blijkt)
We spreken van co-ouders omdat het wel iets aangeeft van de manier waarop ouders hun kinderen na de scheiding willen opvoeden.
In geval van co-ouderschap worden op beide ouders de normen toegepast die gelden voor personen die een gezamenlijke huishouding voeren. In feite is aan de kant van beide partners sprake van een eenoudergezin. Co-ouderschap wordt alleen aangenomen indien deze voorziening in het ouderlijk gezag door de rechter is vastgesteld.
Mag een kind van 12 jaar kiezen bij wie hij/zij gaat wonen na een echtscheiding? Uitgangspunt is dat beide ouders het gezag houden over het kind, ook na een echtscheiding. Soms willen de ouders dat niet. Als zij het samen niet eens worden over het gezag, vraagt de rechter meestal om een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. De raadsonderzoeker praat dan ook met het kind. Het rapport van de Raad gaat naar de rechter, het kind (vanaf 12 jaar) en de ouders. De rechter nodigt het kind altijd uit voor een afzonderlijk gesprek. De mening van het kind telt zwaar bij het besluit van de rechter. De keuze van het kind geeft echter niet altijd de doorslag. De rechter houdt ook rekening met de omstandigheden van het kind en ouders. Het kind mag dus niet kiezen waar hij of zij gaat wonen maar mag vanaf 12 jaar gehoord worden.
Voor kinderen tot 18 jaar dient de kinderbijdrage
betaald te worden aan degene die de dagelijkse zorg over de kinderen uitoefent.
Voor kinderen tussen hun 18e en 21e jaar geldt dat de ouders verplicht zijn tot
betaling van de kosten van levensonderhoud en studie. Voor de betalingsplichtige
geldt de onder houdsbijdrage als
persoonsgebonden aftrek.
Jaarlijks dient u het alimentatiebedrag aan te passen met een bepaald
percentage. Dit indexeringspercentage wordt jaarlijks medio december bekend
gemaakt.
Partneralimentatie
Indien een partner niet in het eigen levensonderhoud kan voorzien, is het
mogelijk een partneralimentatie af te spreken. Alimentatieafspraken kunnen, als
er overeenstemming is tussen beide partijen, worden vastgelegd in het convenant.
Jaarlijks dient u het alimentatiebedrag aan te passen met een bepaald
percentage. Dit indexeringspercentage wordt jaarlijks medio december bekend
gemaakt. De duur van partneralimentatie is wettelijk beperkt tot een maximum van
12 jaar.
Voor de ontvangende partij geldt de partneralimentatie als inkomen. Over deze alimentatie is de ontvangende partij dus belastingplichtig. De betalende partij kan het betaalde bedrag opgeven als aftrekpost. Wordt er een beroep gedaan op de Algemene Bijstandswet zal de gemeente de bijstand verhalen op de alimentatieplichtigen.
Co-ouderschap brengt met zich mee dat ook de kosten van de kinderen naar redelijkheid en billijkheid worden verdeeld. Indien de man en de vrouw beiden een eigen inkomen hebben, kunnen de kosten naar evenredigheid van het inkomen worden verdeeld. Er wordt dan geen kinderalimentatie betaald.
Als het verblijf van de kinderen bij de ene ouder gelijkwaardig is aan dat bij de andere ouder kan de Belastingdienst aan beide ouders de alleenstaande-ouderheffingskorting en de aanvullende alleenstaande-ouderheffingskorting toekennen. Dit is echter een beslissing van de Belastingdienst. Co-ouders kunnen de Sociale Verzekeringsbank verzoeken de kinderbijslag over beide ouders te verrekenen.
Voor meer informatie bms-advies.nl
|
Persoonsgebonden aftrekpost (kinderalimentatie) De alimentatieplichtige kan voor belastingaftrek in aanmerking komen als hij of zij tenminste € 125,-- per kalenderkwartaal bijdraagt aan het onderhoud voor kinderen jonger dan 30 jaar. Voor betaalde kinderalimentatie bestaan vaste aftrekbedragen per kwartaal. |
| Kind |
0-5 jaar
|
€ 260,--
|
|
6-11 jaar
|
€ 315,--
|
|
|
12-18 jaar
|
€ 399,--
|
|
|
18 jaar en ouder
|
* € 315,--
|
|
| * voor deze groep, zijn, onder voorwaarden, hogere bedragen mogelijk. | ||
alleenstaande-ouderkorting:
· Tot uw huishouden behoren in 2002 gedurende meer dan zes maanden uitsluitend een of meer kinderen die op 1 januari 2002 jonger zijn dan 27 jaar; en
· In de periode van zes maanden onderhoudt u een kind dat tijdens die periode op uw woonadres is ingeschreven in belangrijke mate. Daarvan is sprake als u het kind voor minimaal EUR 373 per kwartaal onderhoudt of wanneer u recht heeft op kinderbijslag voor dat kind.
Deze voorwaarden vervallen als u zelf of het kind komt te overlijden.
Bent u jonger dan 65 jaar, dan is de alleenstaande-ouderkorting EUR 1.301. Als u 65 jaar of ouder bent, dan is de alleenstaande-ouderkorting EUR 582.
Aanvullende alleenstaande-ouderkorting
Heeft u recht op de alleenstaande-ouderkorting, dan komt u daarnaast in aanmerking voor de aanvullende alleenstaande-ouderkorting als u voldoet aan de volgende twee voorwaarden:
· U heeft betaald werk; en
· Er behoort in 2002 meer dan zes maanden een kind tot uw huishouden dat op 1 januari 2002 nog geen 16 jaar was en tijdens die periode op uw woonadres is ingeschreven. Deze voorwaarde vervalt als u zelf of het kind komt te overlijden.
Deze korting is afhankelijk van uw inkomen uit betaald werk. Bent u jonger dan 65, dan is de aanvullende alleenstaande-ouderkorting maximaal EUR 1.301. Als u 65 jaar of ouder bent, dan is de aanvullende alleenstaande-ouderkorting maximaal EUR 582.
Tabel aftrekbedragen levensonderhoud kinderen
In de tabel vindt u het vaste bedrag dat u per kwartaal mag aftrekken voor de uitgaven voor levensonderhoud van uw kinderen. De tabel gaat uit van de situatie op de eerste dag van het kwartaal. Als de situatie tijdens het kwartaal verandert, wordt daar pas in het eerstvolgende kwartaal rekening mee gehouden.
Om voor aftrek in aanmerking te komen, moet u in ieder geval minstens EUR 373 per kwartaal bijdragen aan het levensonderhoud van het kind. Als het kind 18 jaar of ouder is, is de aftrek afhankelijk van de mate van onderhoud. Als u een fiscale partner heeft, moet u de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen samenvoegen. Als zowel u als uw fiscale partner uitgaven voor levensonderhoud van een kind claimen, geldt per persoon maximaal de helft van het wettelijke bedrag.
|
Leeftijd kind per kwartaal |
Onderhoudskosten |
Aftrekbaar |
|
jonger dan 6 jaar |
minstens EUR 373 per kwartaal |
EUR 260 |
|
van 6 tot 12 jaar |
minstens EUR 373 per kwartaal |
EUR 315 |
|
van 12 tot 18 jaar |
minstens EUR 373 per kwartaal |
EUR 399 |
|
van 18 tot 30 jaar |
minstens EUR 373 per kwartaal |
EUR 315 |
|
van 18 tot 30 jaar |
meer dan 50% bijdrage in totale kosten en minstens EUR 630 per kwartaal |
EUR 630 |
|
van 18 tot 30 jaar |
90% of meer bijdrage in totale kosten en minstens EUR 945 per kwartaal per en het kind is uitwonend |
EUR 945 |
Voor meer informatie: De Belastingtelefoon 0800-0543
www.belastingdienst.nl/2001
Voor de kinderkorting gelden alle volgende voorwaarden:
· Er behoort in het jaar 2002 meer dan zes maanden een kind tot uw huishouden. Dat kind is op 1 januari 2002 jonger dan 18 jaar. Deze voorwaarde vervalt als u zelf of het kind komt te overlijden.
· Dit kind is tijdens die periode op uw woonadres of dat van uw partner ingeschreven en wordt in belangrijke mate door u of uw partner onderhouden. Daarvan is sprake als u het kind voor minimaal EUR 373 per kwartaal onderhoudt of wanneer u recht heeft op kinderbijslag voor dat kind.
· De inkomens in box 1, 2 en 3 van u en uw partner samen zijn niet hoger dan EUR 56.191.
Heeft u een partner, dan geldt de kinderkorting alleen voor degene die het hoogste inkomen heeft. Als u echter wilt dat de kinderkorting geldt voor de partner met het laagste inkomen, dan kunt u dat aangeven op uw Verzoek voorlopige teruggaaf of op uw Aangifte inkomstenbelasting.
Bent u jonger dan 65 jaar, dan is de kinderkorting EUR 40. Als u 65 jaar of ouder bent, dan is de kinderkorting EUR
Wie heeft recht op de combinatiekorting?
U komt in aanmerking voor de combinatiekorting als u aan de volgende twee voorwaarden voldoet:
· U heeft betaald werk waarvoor u meer dan bruto EUR 4.060 ontvangt, of u komt in aanmerking voor de zelfstandigenaftrek (bij winst uit 1 of meer ondernemingen); en
· Er behoort in 2002 minimaal zes maanden een kind tot uw huishouden dat op 1 januari 2002 nog geen 12 jaar was en tijdens die periode op uw woonadres is ingeschreven. Deze voorwaarde vervalt als u zelf of het kind komt te overlijden.
Heeft u een partner die eveneens aan deze voorwaarden voldoet, dan heeft u beiden recht op de combinatiekorting. Ook co-ouders waarbij het kind de helft van de tijd bij u in huis woont en de helft van de tijd bij uw ex-partner, kunnen beiden in aanmerking komen voor de combinatiekorting.
Bent u jonger dan 65, dan is de combinatiekorting EUR 190. Als u 65 jaar of ouder bent, dan is de combinatiekorting EUR 86).
Om in aanmerking te komen voor de combinatiekorting bij co-ouderschap moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
· De ouders hebben met tegenwoordige arbeid meer dan EUR 3.938 (f 8.678) aan inkomsten.
· Het kind behoort ten minste zes maanden (180 dagen) tot het huishouden van de co-ouders.
· Het kind behoort ten minste drie dagen per week tot het huishouden van elke co-ouder.
Wat zijn de gevolgen van het invoeren van heffingskortingen voor uw loonstrookje?
De vermelding van de tariefgroep
verdwijnt van uw loonstrookje. Dit komt omdat de bijbehorende belastingvrije
sommen zijn vervallen.
In het oude stelsel was de hoogte van de belastingvrije som (het bedrag dat
iemand mag verdienen zonder daarover belasting te hoeven betalen) afhankelijk
van de tariefgroep waarin iemand was ingedeeld
Bij co-ouderschap zou je bij meerder kinderen de kinderen kunnen verdelen over twee adressen.
Met het nieuwe artikel 44a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt uitvoering gegeven aan de in de laatste volzin van artikel 8.14, eerste lid, Wet IB 2001 opgenomen delegatiebepaling. In bepaalde gevallen van co-ouderschap kan worden afgeweken van de voorwaarde dat het kind in de basisadministratie persoonsgegevens op hetzelfde woonadres staat ingeschreven als belastingplichtige.
Dit betreft met name de situatie dat een kind tegelijkertijd tot het huishouden van beide, niet samenwonende, co-ouders behoort. Bij bedoelde co-ouders die de zorg voor hun kind binnen een week verdelen, behoort het kind onder bepaalde omstandigheden tot het huishouden van beide co-ouders. Inschrijving in de basisadministratie persoonsgegevens is echter slechts mogelijk op het woonadres van een van beide ouders. In dat geval zou een van de ouders geen recht hebben op de combinatiekorting omdat deze niet aan de inschrijvingseis kan voldoen. In artikel 44a is daarom bepaald dat bij deze ouder gedurende de periode dat het kind tegelijkertijd tot het huishouden van beide, niet samenwonende, co-ouders heeft behoord, niet aan de inschrijvingseis behoeft te worden voldaan.
In de slotzin wordt opgenomen wanneer een kind tegelijkertijd tot het huishouden van beide ouders behoort. Hier wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie op dit punt. Recentelijk (HR 2 november 2001, nr. 36.588) maar ook eerder (HR 25 november 1998, nr. 33.642) is door de Hoge Raad aangegeven dat een verblijf van doorgaans ten minste drie tot drieënhalve dag per week bij de belastingplichtige voldoende is, om (volledig) tot diens huishouden te behoren. In de regeling is daarbij aangesloten door op te nemen dat indien een kind doorgaans ten minste drie gehele dagen (3 x 24 uur) in de week bij de belastingplichtige verblijft en de overige dagen van de week doorgaans bij de andere ouder, het kind tegelijkertijd tot het huishouden van beide, niet samenwonende, co-ouders behoort.
Ingevolge het nieuwe artikel 44b kan de toetrederskorting ingevolge het eerste lid bij de Belastingdienst worden aangevraagd door de belastingplichtige die voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.21 van de wet en beschikt over een zogenoemde toetredersverklaring van de gemeente of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). De in de toetredersverklaring op te nemen verklaring is afhankelijk van de vraag of recht bestaat op de toetrederskorting op grond van artikel 8.21, eerste of tweede lid, Wet IB 2001. Ingevolge artikel 8.21, eerste lid, Wet IB 2001 dient de belastingplichtige volledig uit te stromen uit de daarin bedoelde gemeentelijke uitkeringen of uitkeringen van het UWV werknemersverzekeringen (artikel 8.21, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001) of uit de door het Rijk via de gemeenten gesubsidieerde arbeid (artikel 8.21, eerste lid, onderdelen b tot en met d). Deze voorwaarde van volledige uitstroom geldt niet voor de in artikel 8.21, tweede lid, Wet IB 2001 bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die door het UWV worden verstrekt. De belastingplichtige die voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.21, eerste lid, Wet IB 2001 en in aanmerking wenst te komen voor de toetrederskorting dient de beschikken over een toetredersverklaring die naast zijn persoonsgegevens het sociaal-fiscaalnummer van de belastingplichtige bevat. De gemeente onderscheidenlijk het UWV dient daarbij te verklaren dat deze belastingplichtige is opgehouden met het genieten van een uitkering of het verrichten van gesubsidieerde arbeid als bedoeld in artikel 8.21, eerste lid, Wet IB 2001 en dat bedoelde uitkeringen of arbeid tezamen in een periode van 18 maanden gedurende ten minste 12 maanden hebben plaatsgevonden en deze periode direct voorafgaat aan het moment waarop hij is opgehouden bedoelde uitkeringen te genieten of bedoelde arbeid te verrichten.
Ingevolge het tweede lid behoeft in de toetredersverklaring die wordt toegekend aan de belastingplichtige die voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.21, tweede lid, Wet IB 2001 niet te worden vermeld dat hij is opgehouden met het genieten van een uitkering als bedoeld in deze bepaling. Voor het overige moet ook deze belastingplichtige indien hij in aanmerking wenst te komen voor de toetrederskorting beschikken over een verklaring met dezelfde informatie als de verklaring die wordt verstrekt aan de belastingplichtige die voldoet aan artikel 8.21, eerste lid, Wet IB 2001.
Ingevolge het derde lid wordt de verklaring op aanvraag van de belastingplichtige binnen acht weken vanaf het tijdstip waarop de belastingplichtige tegenwoordige, niet gesubsidieerde arbeid, is gaan verrichten kosteloos verstrekt.
Ten behoeve van de belastingplichtige die is uitgestroomd uit gesubsidieerde arbeid als bedoeld in het Besluit in- en doorstroombanen, wordt op grond van het vierde lid, de toetredersverklaring verstrekt binnen acht weken vanaf het tijdstip waarop de belastingplichtige al gedurende een periode van ten minste zes maanden de tegenwoordige, niet gesubsidieerde arbeid heeft verricht.
Voor uitleg in begrijpende taal
De Belastingtelefoon 0800-0543 www.belastingdienst.nl/2001
Kort samengevat van de volgende tekst.
Wie gezag uitoefent over een minderjarige heeft een aantal rechten en plichten. Zo is iemand die gezag heeft, verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van het kind. Ook is hij de wettelijke vertegenwoordiger. Minderjarige kinderen mogen in veel gevallen niet zelfstandig officiële handelingen verrichten. Degene die het gezag uitoefent doet dit dan voor of namens het kind; denk aan het zetten van een handtekening. De wettelijk vertegenwoordiger is in veel gevallen ook wettelijk aansprakelijk voor het doen en laten van het kind. Tenslotte beheert degene die het gezag uitoefent het vermogen van het kind (als dat er is). Voor de rechten en plichten die hier zijn genoemd is er weinig verschil tussen ouderlijk gezag, gezamenlijk gezag en gezamenlijke voogdij.
Iedereen die 18 jaar of ouder is en niet onder curatele staat of aan een geestelijke stoornis lijdt kan in principe gezag uitoefenen. Gezag en voogdij eindigen automatisch als het kind 18 jaar wordt; ook als het kind voor het bereiken van die leeftijd trouwt, eindigt het gezag of de voogdij. Ouders - of zij nu gezag uitoefenen of niet - blijven onderhoudsplichtig totdat het kind 21 jaar wordt.
Uit het wetboek
Op 1 januari 1998 is een belangrijke wetswijziging in werking getreden. Drie onderwerpen zijn daarbij geregeld:
1. Voortduring gezamenlijk ouderlijk gezag van rechtswege: Voortaan blijft na echtscheiding het ouderlijk gezag van rechtswege voortduren (co-ouderschap). Beëindiging is wel mogelijk, maar dan moet dat speciaal verzocht worden. Tot dusverre lag dit precies andersom: primair stond eenhoofdig gezag; wilden ouders gezamenlijk het formele gezag behouden dan moesten zij dit speciaal verzoeken.
2. Eigen rechtsingang kinderen inzake gezag: Voortaan kunnen kinderen zelf zich ook inzake de gezagsregeling tot de rechtbank wenden. Tot nu toe kon dat alleen met betrekking tot een omgangsregeling.
3. Gezamenlijk gezag met nieuwe partner: De nieuwe partner van de verzorgende ouder kan tezamen met de verzorgende ouder verzoeken om mede belast te worden met gezag. Dat kan alleen indien de verzorgende ouder tenminste drie jaar eenhoofdig gezag heeft gehad, waarvan het laatste jaar de zorg gedeeld is met de nieuwe partner.
Het eerste onderwerp, co-ouderschap van rechtswege, is toe te juichen als een kleine stap in de goede richting van erkenning van de onaantastbaarheid van het ouderschap. Onmid- dellijk moet daar aan worden toegevoegd dat er nog een lange weg te gaan is. Bestaande gevallen worden er niet door geholpen. De nieuwe wet geldt alleen voor nieuwe gevallen.
Het tweede onderwerp, de rechtsingang voor kinderen inzake het gezag, is een onderwerp waartegen men grote ethische bezwaren kan opwerpen, nu de wet met die rechtsingang kinderen de gelegenheid biedt om tégen één van hun ouders, (of tegen beide!) te kiezen. Men kan vrezen dat kinderen nog meer dan nu al het geval is tot mikpunt van een echtscheidingsstrijd of een kinderbeschermingsmaatregel gemaakt worden. De regeling brengt immers scheidende ouders of gezinsvoogdij-instellingen in de verleiding om kinderen te manipuleren.
Het derde onderwerp, medegezag, is tegendraads aan het co-ouderschap. De psychologische winst van de ontluikende wettelijke erkenning van de onaantastbaarheid van het ouderschap gaat hiermee teniet, terwijl te vrezen valt dat in individuele gevallen, zodra een nieuwe partner op het toneel verschijnt, aangestuurd zal worden op beëindiging van het co-ouderschap om zodoende in de toekomst gezamenlijk gezag voor de nieuwe partner te kunnen verzoeken.
In dit artikel wordt het eerste onderwerp toegelicht.
1. De ontwikkeling van het Co-ouderschap Het wettelijk co-ouderschap heeft zich in enkele stappen in de loop van de jaren ontwikkeld. Van oudsher (sinds de Kinderwetten van 1905) bepaalde de wet dat na echtscheiding de ouderlijke macht werd omgezet in voogdij. De wet schreef dwingend voor dat één van de ouders met die "voogdij" diende te worden belast. In 1984 bepaalde de Hoge Raad in een echtscheidingszaak, dat die dwingende bepaling in strijd was met de mensenrechten van ouders die co-ouderschap na echtscheiding wilden. De Hoge Raad vernietigde op grond van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens de door de scheidende ouders niet-gewenste voogdijregeling die door de lagere rechter was getroffen, en liet de (eenhoofdige) voogdijbenoeming achterwege, in weerwil van de nationale wet. Een jaar later bepaalde de Hoge Raad zelfs dat een ongehuwd ouderpaar dat om gezamenlijke ouderlijke macht vroeg deze diende te krijgen. Het heeft tot 1995 geduurd eer de Nederlandse wetgeving was aangepast. Vanaf oktober 1995 stond voortaan in de wet dat in beginsel een eenhoofdige gezagsregeling diende te worden getroffen, tenzij de ouders gezamenlijk gezag wensten te blijven uitoefenen. Tevens werd bij die gelegenheid de voor ouders vernederende term "voogdij" vervangen door "ouderlijk gezag". In beginsel was na echtscheiding of buiten huwelijk ouderlijk gezag eenhoofdig. Op verzoek kon het gezamenlijk gemaakt worden. Door de recente wetswijziging is dit voor gehuwde ouders die gaan scheiden dus precies andersom: in beginsel gezamenlijk gezag, alleen op verzoek eenhoofdig gezag.
2 De psychologische betekenis Zoals gezegd is de wetswijziging van grote psychologische betekenis, en wel als wegbereider naar een toekomst waarin beëindiging van het ouderschap alleen nog maar zal kunnen in de vorm van ontheffing of ontzetting uit het ouderlijk gezag. Natuurlijk, tegen een ouder die niet deugt moeten kinderen beschermd kunnen worden, in het uiterste geval door ontzetting van de ouder uit het ouderlijk gezag. De wet kent daarvoor sinds 1929 een prima regeling in de vorm van ontzetting. Ontzetting kan op grond van misbruik van gezag, grove verwaarlozing, slecht levensgedrag, onherroepelijke veroordeling wegens een misdrijf samen met het kind, misdrijven tégen het kind gericht, veroordeling tot een vrijheidsstraf van twee jaar of langer alsmede het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van een gezinsvoogd. Het is te gek voor woorden dat na echtscheiding een van de ouders op verzoek van de andere ouder het gezag kan kwijt raken zonder dat daaraan zulke ernstige feiten ten grondslag liggen. Ook na de laatste wetswijziging is dat nog altijd mogelijk. Toch houdt de wetswijziging grote beloften in voor de toekomst, omdat met deze wet een verdere afbraak plaats vindt van de vroegere "tirannie van de juridische constructie" van het verplichte eenhoofdig gezag. Pas als de laatste sporen van dat oude gedwongen eenhoofdig gezag zijn uitgewist zal er ruimte zijn voor een meer rationele vorm van echtscheiding waarbij ouders elkaar vanzelfsprekend blijven respecteren, weliswaar niet meer als partner, maar wel als vader en moeder van hun kinderen.
3. De praktische betekenis Op het eerste gezicht lijkt de wet voor de praktijk weinig tot geen betekenis te hebben. Het lijkt een oplossing voor mensen die geen probleem hadden. Immers, ouders kunnen hun wens tot co-ouderschap los van welke wettelijke regeling dan ook gewoon in de praktijk brengen door elkaar feitelijk te respecteren als ouders. Komt puntje bij paaltje, met andere woorden: bekoelt de relatie en wil één van beide alsnog eenhoofdig gezag, dan hoeft die ouder maar naar de rechter te stappen om daarmee de klassieke strijd te doen ontbranden, waarbij er één op zijn zachtst gezegd aan het kortste eind trekt. Toch zien we nu reeds in de praktijk een belangrijk effect: veel rechters blijken aanzienlijk zwaarder te tillen aan het feitelijk ouderschap dan voorheen, hetgeen voorzichtig tot uitdrukking komt in omgangszaken. Zowel bij het vaststellen van een omgangsregeling als bij de handhaving in kort geding van een bestaande omgangsregeling valt bij sommige rechters een andere houding te bespeuren. Een ouder die niet wil meewerken aan totstandkoming of naleving van een omgangsregeling kan in toenemende mate rekenen op een kritische benadering van de rechter en in voorkomende gevallen op een dwangsomveroordeling of gijzeling. Waar het in de nieuwe wet echter om gaat is om de gezagsregeling als zodanig. Kan een ouder volstaan met de eenvoudige mededeling: "Ik wil niet meer met de andere ouder het gezag delen"? Bij de mondeling behandeling van de wetswijziging is daarover in het Parlement onder meer het volgende gezegd: Dittrich (D66): "Effectief gezinsleven behoort beschermd te worden." "In een aantal gevallen zullen ouders die tijdens de echtscheidingsprocedure nog tegen elkaar strijden, aan het wettelijk uitgangspunt houvast vinden om in elk geval samen het gezag over de kinderen uit te oefenen, al zal de verzorgende ouder vanzelfsprekend meer invloed hebben op de beslissingen van alledag. Toch blijven er conflictsituaties waarin gezamenlijk gezag niet tot de mogelijkheden behoort. Op verzoek zal de rechter dan dat gezag aan een van de ouders toekennen. Wat de fractie van D66 betreft ligt het in de rede dat een dergelijk verzoek goed wordt gemotiveerd. Als expliciet toetsingscriterium dient het belang van het kind te gelden. Zoals het voorgestelde artikel 251 nu luidt, kan er te gemakkelijk van de nieuwe hoofdregel worden afgeweken. Ook al zal de rechter ongetwijfeld steeds het belang van het kind in zijn overwegingen betrekken, het lijkt D66 belangrijk dat dit criterium expliciet in de wettekst wordt opgenomen. Het kan strijdende ouders net even dat zetje geven om hun conflicten in het belang van het kind bij te leggen. (...) Wij vinden dat van de ouder die het gezag alleen wil hebben, mag worden gevergd dat hij in het belang van het kind aangeeft waarom." De VVD sloot zich bij deze opvatting volledig aan. Deze opvatting werd niet gedeeld door de PvdA. In de ogen van de PvdA zou dit betekenen dat scheiden daardoor een nog sterker strijdend proces zou worden. Ook het CDA was die mening toegedaan. Motiveringsplicht betekent volgens die partij: "Wij krijgen dan weer de situatie die er tot nog toe is geweest, namelijk dat de man wordt beschuldigd van dronkenschap of incest en dergelijke." Tot zover de Parlementaire behandeling. Nu de procespraktijk. In de week na de mondelinge behandeling in het Parlement (12 maart 1997) diende voor de Rechtbank te Amsterdam een zaak, waarin de moeder beëindiging van het bestaande co-ouderschap verzocht. Ter zitting kon dankbaar gebruik gemaakt worden van de hierboven geciteerde (van het Internet geplukte) tekst van de mondelinge behandeling door het Parlement, met name van de D66- en VVD-inbreng. Wat aanvankelijk een hamerstuk leek kwam door de eenvoudige vraag "Waarom?" in zijn tegendeel te verkeren. Verrast door de tegenaanval kwamen moeder en haar advocate niet verder dan kritiek op het tandenpoetsen en harenkammen. De rechter, die nu eenmaal deze discussie had toegelaten, zag hierin onvoldoende grond om het co-ouderschap te beëindigen. Het verzoek tot beëindiging werd dan ook afgewezen, het co-ouderschap bleef gehandhaafd, en nog wel voordat de wet in het Staatsblad stond. Inmiddels, n de inwerkingtreding, heeft ook de Rechtbank te Haarlem een verzoek tot beëindiging van een bestaand co-ouderschap afgewezen. Ook het Hof Amsterdam toont weerstand tegen verzoeken tot beëindiging van het ouderlijk gezag.
4. Mogelijke toekomstige ontwikkeling Er is al gewezen op het neveneffect voor het omgangsrecht. Sinds 1990 is er in de wet reeds een informatie- en consultatieplicht van de verzorgende ouder opgenomen. Gezagsrechtelijk zien we formele gezagsbeëindiging op steeds meer weerstand stuiten, terwijl omgangsrechtelijk de positie van de niet met het gezag belaste ouder steeds meer inhoud krijgt. Met andere woorden: beide ontwikkelingen groeien naar elkaar toe. Op het laatst zal omgang en gezag dan ook daadwerkelijk op één lijn gesteld moeten worden, zodat we kunnen zeggen: "Omgang = gezag". In die situatie zal omgang op precies dezelfde serieuze manier gehandhaafd moeten worden als gezag. Gezag wordt zeer effectief met de dreiging van de harde hand gehandhaafd. Dat blijkt te werken (relatief worden maar zeer weinig kinderen onttrokken aan het gezag). Zo moet het met omgang ook. Artikel 251 BW boek 1, oude tekst:
-1. Gedurende hun huwelijk oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit.
-2. Na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed kunnen de ouders op hun eensluidend verzoek gezamenlijk belast blijven met de uitoefening van het gezag. De rechtbank wijst dit verzoek af, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
-3. Indien een zodanig verzoek niet is gedaan of indien het verzoek is afgewezen, bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan alleen het gezag over ieder der kinderen zal toekomen.
-4. enz.
Nieuwe tekst:
-1. Gedurende hun huwelijk oefenen de ouders het gezag gezamenlijk uit.
-2. Na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen, tenzij de ouders of een van hen de rechtbank verzoeken in het belang van het kind te bepalen dat het gezag over een kind of de kinderen aan een van hen alleen toekomt.
-3. enz.
Art. 253t (nieuw):
-1. Indien het gezag over een kind bij één ouder berust, kan de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.
-2. In het geval dat het kind tevens in
familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder wordt het verzoek
slechts toegewezen, indien:
a. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een
aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek
gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en
b. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste
een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.
-3. Het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
-4. Het gezamenlijk gezag, bedoeld in het eerste lid, kan niet worden toegekend in de gevallen, bedoeld in artikel 253q [ouder onbevoegd tot het gezag], eerste lid, en artikel 253r [ouder tijdelijk niet in staat tot uitoefening gezag]. Zij staat niet open voor rechtspersonen.
-5. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid
kan vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het
kind in de geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de ander. Een
zodanig verzoek wordt afgewezen, indien
a. het kind van twaalf jaar of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft
ingestemd met het verzoek;
b. het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt afgewezen; of
c. het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.
Een en ander werd opgelost met de wet van 3
april 1995. Deze wet, die het burgerlijk recht aanpast, gaat uit van de
veronderstelling dat het gezamenlijk ouderlijk gezag (bijv : gezamenlijke
schoolkeuze voor de kinderen, ...) van toepassing blijft, zelfs al zijn de
ouders gescheiden. Uitzondering : men kan anders overeenkomen in de
echtscheidingsakte of een vonnis kan het ouderlijk gezag exclusief aan één ouder
toekennen.
Deze regeling uit het burgerlijk recht werd geïntegreerd in de
kinderbijslagwetgeving van de loontrekkende. Deze kinderbijslagwetgeving blijft
de gescheiden ouders dus fictief als een gezin aanzien voor wat de opvoeding van
de kinderen betreft. De kinderbijslag wordt dus bij voorrang via de prestaties
van de vader uitbetaald. Is vader of moeder zelfstandige, dan zal de
kinderbijslag toch als werknemer (wat meestal gunstiger is) toegekend worden op
voorwaarde dat de loontrekkende ouder minstens halftijds als werknemer tewerk is
gesteld.
Deze regels zijn niet altijd evident omdat verschillende situaties zich kunnen
voordoen. In concrete gevallen gaat u best te rade bij het bevoegde
kinderbijslagfonds.
Enkele richtlijnen in het kort samengevat :
a) Krachtens wiens beroepsactiviteit wordt de kinderbijslag toegekend ?
Het belang van deze vraag is het volgende : in de regeling van de zelfstandigen kan de uitbetaling van de kinderbijslag worden geblokkeerd bij onbetaalde sociale bijdragen. Bij loontrekkende kan dit niet.
Als beide ouders zelfstandigen zijn of beiden zijn loontrekkend, dan wordt de kinderbijslag toegekend krachtens de beroepsactiviteit van de ouder bij wie de kinderen gedomicilieerd zijn.
Als de ouders daarentegen een verschillend stelsel hebben (bijv. de ene is zelfstandige en de andere is loontrekkend), dan wordt de kinderbijslag in de regel uitgekeerd krachtens de prestaties van de ouder die het loontrekkend statuut heeft. Maar de andere ouder kan daartegen wel bezwaar indien.
b) Wie ontvangt de kinderbijslag ?
Wie de kinderbijslag ontvangt, staat bijna altijd in de notariële echtscheidingsovereenkomst of in het vonnis dat het hoederecht over de kinderen regelt.
In de andere gevallen dient men 2 situaties te onderscheiden :
- Is de regeling van loontrekkende van toepassing (bijv. als de ene ouder zelfstandige is en de ander is loontrekkend), dan wordt de kinderbijslag normaal aan de moeder uitbetaald, maar de vader kan daartegen bezwaar indienen.
- Is de regeling van zelfstandigen van toepassing (bijv. de 2 ouders zijn zelfstandigen), dan ontvangt de vader de kinderbijslag, maar de moeder kan bezwaren indienen.
c) Hoe zit het met de rangorde van de kinderen (1e kind, 2e kind, ...) ?
Men gaat er fictief vanuit dat de gescheiden ouders nog één gezin vormen, maar bij de bepaling van de rangorde is er bij co-ouderschap toch iets speciaals :
Als er in het nieuwe gezin van de ouder die de kinderbijslag ontvangt nog andere kinderen zijn (bijv. kinderen uit een nieuwe relatie of kinderen van een partner met wie men is gaan samen wonen), dan tellen die andere kinderen mee. Dit gaat dan eigenlijk ten koste van de andere ouder bij wie die kinderen in zijn nieuwe gezin niet meetellen. De ouders dienen dan ook dit financieel verlies onderling te regelen. Zulke overeenkomst is evenwel niet tegenstelbaar aan het kinderbijslagfonds.
Opgepast : bij meerderjarigheid eindigt het ouderlijk gezag, maar eindigt niet noodzakelijk de kinderbijslag (hogere studies,...). Bij meerderjarigheid van de kinderen is er geen sprake meer van co-ouderschap om de eenvoudige reden dat er geen "ouderlijk gezag" meer is in de juridische zin van het woord. In dat geval zal het kinderbijslagfonds de feitelijke situatie nagaan om te bepalen op basis van wiens prestaties de kinderbijslag kan worden toegekend, afhankelijk van de hoofdverblijfplaats van de jongere.
a) Als beide ouders loontrekkend zijn, dan zijn de kinderen voor de ziekteverzekering ten laste van de oudste ouder.
b) Als één van de ouders zelfstandige is en de andere is loontrekkend, dan zijn de kinderen sociaal gezien ten laste van de loontrekkende ouder.
c) Als slechts één ouder een beroepsactiviteit heeft (zelfstandig of loontrekkend), dan zijn de kinderen voor de ziekteverzekering ten laste van de werkende ouder.
Hoe zit het met de familiale polis ?
Co-ouders kunnen geen gezamenlijke familiale verzekering nemen. Daarvoor is immers vereist dat men onder hetzelfde dak woont en tot dezelfde familiekern behoort. Co-ouders die familiaal verzekerd willen zijn, dienen dan ook beiden een familiale polis af te sluiten. Gelukkig zijn de premies niet zo hoog.
Wie van beide ouders is aansprakelijk als er een schadegeval gebeurd door toedoen van de kinderen ?
In principe is die ouder aansprakelijk die de kinderen op het ogenblik van het schadegeval onder zijn/haar toezicht had. Maar deze ouder kan evenwel proberen aan te tonen dat hij/zij weinig impact heeft op de opvoeding van de kinderen en dat het de andere ouder is die alleen de verantwoordelijkheid voor de opvoeding draagt. Dit is vaak moeilijk uit te maken. Wanneer men er niet uitgeraakt, moet de rechter de knoop doorhakken.
De fiscus aanvaardt voorlopig nog niet dat de aftrek voor kinderen ten laste zou opgesplitst worden over beide co-ouders. Slechts één ouder kan m.a.w. de kinderen ten laste krijgen voor de personenbelasting. In principe is dat de ouder bij wie de kinderen gedomicilieerd zijn.
De andere ouder lijdt hierdoor financieel verlies. De co-ouders dienen dan ook een onderlinge overeenkomst te sluiten om dit te corrigeren, bijv. een jaarlijkse afrekening in functie van ieders inkomen. Zo'n berekening kan vrij complex zijn, maar er is voorlopig geen beter alternatief.